Tien kaarsjes
Er waren eens tien kaarsjes,
met vlammetjes zo fijn.
Ze wilden op het Kerstfeest
graag goede lichtjes zijn.
Er waren eens tien kaarsjes,
met vlammetjes zo fijn.
Ze wilden op het Kerstfeest
graag goede lichtjes zijn.
Eén kaarsje viel het tegen,
altijd in vlam te staan.
Het doofde snel zijn lichtje
en is toen uitgegaan.
altijd in vlam te staan.
Het doofde snel zijn lichtje
en is toen uitgegaan.
Er waren negen kaarsjes.
Eén van de negen zei:
“Ik vind het hier niet prettig!”
en stapte uit de rij.
Er waren nog acht kaarsjes.
Het was een mooi gezicht.
Eén dacht: “Ik ben de beste!”,
Eén van de negen zei:
“Ik vind het hier niet prettig!”
en stapte uit de rij.
Er waren nog acht kaarsjes.
Het was een mooi gezicht.
Eén dacht: “Ik ben de beste!”,
meteen verdween zijn licht.
Toen stonden van de kaarsjes
er zeven nog in vlam.
Maar één vergat te branden.
Hij wist niet hoe dat kwam.
De vlammen van de kaarsjes
die brandden honderd uit.
Eén zei: “Ik ben de mooiste!”
en ja, toen ging hij uit.
Toen stonden van de kaarsjes
er zeven nog in vlam.
Maar één vergat te branden.
Hij wist niet hoe dat kwam.
De vlammen van de kaarsjes
die brandden honderd uit.
Eén zei: “Ik ben de mooiste!”
en ja, toen ging hij uit.
Nog maar vijf kaarsjes over.
Wat zullen we gaan doen?
Eén brandde veel te haastig.
Opeens verdween hij toen.
Er stonden nog maar vier kaarsjes.
Ze brandden feller op.
Eén werd er uitgeblazen.
Hij lette niet goed op.
Van die drie laatste kaarsjes
ging één met het donker mee.
Hij vond het niet meer nodig.
Toen stonden er nog twee.
Die beide kleine kaarsjes,
wat waren ze alleen.
Eén ging van moeheid slapen,
toen was er nog maar één.
Het laatste kleine kaarsje,
dat eenzaam achter bleef,
dacht: “Als ik nu mijn lichtje
eens aan een ander geef”.
Toen heeft dat ene kaarsje
het feest nog juist gered.
Het heeft alle andere kaarsjes
opnieuw in vlam gezet.
Wat zullen we gaan doen?
Eén brandde veel te haastig.
Opeens verdween hij toen.
Er stonden nog maar vier kaarsjes.
Ze brandden feller op.
Eén werd er uitgeblazen.
Hij lette niet goed op.
Van die drie laatste kaarsjes
ging één met het donker mee.
Hij vond het niet meer nodig.
Toen stonden er nog twee.
Die beide kleine kaarsjes,
wat waren ze alleen.
Eén ging van moeheid slapen,
toen was er nog maar één.
Het laatste kleine kaarsje,
dat eenzaam achter bleef,
dacht: “Als ik nu mijn lichtje
eens aan een ander geef”.
Toen heeft dat ene kaarsje
het feest nog juist gered.
Het heeft alle andere kaarsjes
opnieuw in vlam gezet.
Nu brandden alle kaarsjes
met vlammetjes zo fijn.
Ze wilden op het Kerstfeest
graag goede lichtjes zijn.
met vlammetjes zo fijn.
Ze wilden op het Kerstfeest
graag goede lichtjes zijn.
Schrijver onbekend.
Tien kaarsjes is een onderdeel van de kleuter-Kerstworkshop van Fien de Voorleesfee.


Geen opmerkingen:
Een reactie posten