woensdag 11 januari 2012

Sprookje Rozewit & Rozerood

Te vertellen bij het Jaarfeest Imbolc. De beer komt uit zijn hol. De beer is de jonge, nog wilde en in berenvacht verborgen Zonnegod. Het hol is de onderwereld van Holda, waar hij zijn winterslaap heeft gehouden.


Er was eens een weduwe die een tweeling had. Het waren twee prachtige dochters, Rozewit en Rozerood. Voor het huis stonden twee rozenboompjes, een witte en een rode en deze hadden grote gelijkenis met de dochters, die ernaar vernoemd waren. Rozerood was een heel levendig meisje. Ze hield ervan om de hele dag in de velden te lopen. Rozewit was liever thuis om haar moeder te helpen in het huishouden. Ondanks dat ze zo verschillend waren hielden ze veel van elkaar. Ze waren allebei dol op dieren en alle dieren wisten dat, daarom deden de dieren de meisjes nooit kwaad.
Op een winteravond vertelde moeder een verhaal. Ondertussen streelde Rozewit haar kleine lammetje en Rozerood een duif op haar vinger. Plotseling werd er op de deur geklopt. Rozewit deed open en zag tot haar grote schrik een grote bruine beer. De meisjes waren heel erg geschrokken van de grote beer maar moeder liet de beer binnen en keek of er nog wat eten voor de grote beer was. De grote beer bleef de hele nacht in het huis en stond 's ochtends vroeg weer op om weg te gaan. De meisjes waren verdrietig om zijn vertrek. Toen de grote beer diezelfde avond onverwacht weer langs kwam konden de meisjes hun geluk niet op. Vanaf dat moment kwam de grote beer iedere avond bij moeder en haar tweeling langs.

De tweeling veegt de vacht van de beer schoon.

Toen de winter voorbij was zei de grote beer, met een bedroefde stem, dat hij weg moest om zijn schatten te bewaken. De gemene aardmannetjes willen de schatten namelijk stelen. De meisjes waren zeer bedroefd over het vertrek van hun grote vriend en moeder stuurde ze daarom het bos in om wat met de andere dieren te gaan spelen.


Ze waren nog maar een klein stukje aan het lopen toen ze in de verte een puntje van een muts op en neer zagen gaan. Toen ze dichterbij waren gekomen zagen ze dat het de muts van een klein nijdig mannetje was. Hij zat vast met zijn lange baard in de gleuf van een boomstam. De twee meisjes probeerden van alles om het aardmannetje te bevrijden maar niets hielp. “Er zit maar één ding op”, zei Rozerood, haalde een gouden schaartje uit haar zak en knipte behendig het puntje van de baard af. Nou zou je denken dat het aardmannetje blij was dat hij los was. Maar in plaats daarvan schold hij om zijn afgeknipte baard. Boos liep hij weg met een zak met goud.

Een paar dagen later gingen de meisjes vissen bij de rivier. Toen ze daar kwamen waren ze niet alleen. Het aardmannetje zat weer in de problemen: een vis probeerde hem het water in te sleuren. “HELP”, riep het aardmannetje. Rozerood hielp het mannetje door weer een stukje van zijn baard af te knippen. Voor de tweede keer was het aardmannetje ontzettend boos op de twee meisjes. De meisjes zagen dat hij onder een steen een zak met parels pakte en die meenam.

Een week later gingen de meisjes voor hun moeder boodschappen doen. Op de heenweg zagen ze een zwarte adelaar cirkels vliegen boven hun prooi. Toen hij opeens naar beneden dook hoorde de meisjes een verschrikte kreet. De meisjes holden zo snel ze konden naar de plek waar de adelaar naar toe was gedoken. De adelaar had het aardmannetje als prooi te pakken bij zijn baard. Rozerood haalde snel haar gouden schaartje tevoorschijn en knipte voor de derde keer een stuk van zijn baard af. Het aardmannetje stikte bijna van woede, pakte zijn zak met edelstenen en liep boos weg.


Op de terugweg gingen ze langs dezelfde weg terug. Opeens kwamen ze het aardmannetje tegen en zagen ze hem uit de zak prachtige edelstenen halen. Plotseling draaide het aardmannetje zich om en zag hij de meisjes. “Jullie hebben mijn baard al kort geknipt en nu gaan jullie ook al mijn schatten afpakken, ik zal jullie eens een lesje leren”, zei het aardmannetje gemeen. Opeens verscheen de grote beer. Het aardmannetje schrok zo dat hij al zijn kostbaarheden liet vallen en er snel vandoor ging. Toen de meisjes verwonderd naar de beer keken, viel het berevel van hem af en veranderde hij voor hun ogen in een mooie prins. Hij keek glimlachend naar hen en vertelde dat het aardmannetje hem in een beer had betoverd zodat hij zijn schatten kon stelen. De prins kon alleen weer een prins worden als het aardmannetje hem zijn schatten teruggaf. Rozewit trouwde met de prins en Rozerood trouwde met zijn broer. Moeder nam haar rozenboompjes mee naar het paleis waar ze nog jaren gelukkig leefde bij haar kinderen.


Het verhaal gaat over de strijd tussen de dwerg (het aardwezen) en de beer (hemelse gestalte, maar dan betoverd) daartussen staat de mens (in de vorm van de twee meisjes).
Rozewit en Rozerood kunnen gezien worden als winter en zomer. Rozerood maakt de grendel open en is vaak buiten, Sneeuwwitje sluit de grendel en is vaak binnen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten